Donovan Amafo wacht naar eigen zeggen inmiddels 43 dagen op duidelijkheid van de procureur-generaal (PG) over een door hem gevraagd strafrechtelijk onderzoek. Aanleiding is volgens Amafo een document dat volgens hem valselijk is opgemaakt en vervolgens een rol heeft gespeeld in de gerechtelijke procedure rond zijn arbeidsconflict met Haukes Labour N.V. De kwestie is een vervolg op een al langer lopend geschil tussen Amafo en het uitzendbureau. Amafo werkte via Haukes Labour bij Zijin Rosebel Gold Mines N.V. als haul truck operator. Volgens eerder gepubliceerde informatie liep zijn dienstverband van juli 2021 tot juli 2023. Amafo stelde dat hij voor hetzelfde werk aanzienlijk minder werd betaald dan werknemers die rechtstreeks bij Rosebel in dienst waren. De kantonrechter stelde Amafo op 14 oktober 2025 in het gelijk en veroordeelde Haukes Labour volgens de beschikbare berichtgeving tot betaling van ruim US$ 65.000 aan achterstallige vergoedingen. De zaak belandde vervolgens in hoger beroep.
Verschil in beloning
Het oorspronkelijke arbeidsconflict draait volgens Amafo om de positie van uitzendkrachten en de beloning die zij ontvangen. Hij heeft aangevoerd dat hij voor zijn werkzaamheden ongeveer US$ 1,23 per uur ontving, terwijl een werknemer van Rosebel die volgens hem dezelfde functie vervulde ongeveer US$ 4,16 per uur verdiende. Amafo beroept zich daarbij op de Wet Ter Beschikking Stellen Arbeidskrachten door Intermediairs uit 2017. Tijdens een eerdere persconferentie stelde Amafo bovendien dat zijn zaak volgens hem niet op zichzelf staat. Hij beweert dat uitzendkrachten die via bureaus bij grote ondernemingen werken structureel financieel kunnen worden benadeeld. Hij sprak daarbij over duizenden werknemers die mogelijk met een vergelijkbaar probleem te maken hebben.
Gerechtelijke documenten
De huidige kwestie gaat volgens Amafo echter verder dan het arbeidsconflict zelf. Tijdens het interview met De Snelle Pen zegt hij dat hij op 17 juli 2026 ontdekte wat hij omschrijft als valsheid in geschrifte. Het zou volgens hem gaan om een verklaring die in verband staat met het hoger beroep en waarmee de tenuitvoerlegging van het vonnis zou zijn geschorst. Amafo maakt daarbij een onderscheid tussen verschillende documenten en data. Volgens hem is op 24 november 2025 een verklaring opgesteld die betrekking had op het daadwerkelijk instellen van het hoger beroep. Daarvan zou volgens hem ook een proces-verbaal van de griffier van het eerste kanton bestaan. Zijn bezwaar richt zich volgens zijn verklaring op een ander document, gedateerd 24 oktober 2025. Met dat document zou volgens Amafo een beroep zijn gedaan op een wettelijke regeling waardoor de executie van het vonnis werd geschorst. Hij stelt dat het betreffende document valselijk is opgemaakt en dat daarbij niet slechts één persoon betrokken kan zijn. “Ze hebben het in vereniging gedaan”, zegt Amafo. Volgens hem gaat het daarbij onder meer om de vraag hoe de verklaring tot stand is gekomen en wie daarbij betrokken waren.
Advocaten onder vuur
Amafo noemt in dit verband ook de betrokken advocaten. Volgens hem hebben beide advocaten hun handtekening geplaatst onder het document waarvan hij de echtheid en totstandkoming betwist. “Mijn advocaat heeft ook getekend op die verklaring die valselijk is opgemaakt”, zegt hij. Volgens Amafo gaat het om mr. Jurgen Tamsiran, zijn advocaat, en de advocaat van de wederpartij. Hij zegt dat hij aanvankelijk niet wist wat de precieze betekenis van de ondertekening was. Hij trekt daaruit de conclusie dat sprake kan zijn van een gezamenlijke handeling. Amafo gebruikt daarbij de juridische formulering dat er, gelet op de feiten en omstandigheden, volgens hem sprake is van een “redelijk vermoeden van schuld”. Hij verwijst daarbij ook naar de strafbaarstelling van valsheid in geschrifte en stelt dat de betrokken personen zich mogelijk aan een strafbaar feit hebben schuldig gemaakt. Dat is nadrukkelijk zijn lezing van de gebeurtenissen. Of daadwerkelijk sprake is van valsheid in geschrifte of strafbare betrokkenheid van de genoemde personen, is daarmee niet vastgesteld.
Ook rechters genoemd in aangifte
Opvallend is dat Amafo in zijn schrijven aan de PG niet alleen de advocaten heeft genoemd. Hij zegt ook rechters als mogelijke medeverdachten te hebben opgenomen. Daarbij gaat het volgens hem niet om een vaststaande beschuldiging dat rechters strafbare feiten hebben gepleegd. Hij zegt dat hij verschillende scenario’s heeft beschreven over hoe de betreffende documenten in de gerechtelijke procedure konden worden gebruikt of waarom mogelijke onregelmatigheden niet zouden zijn opgemerkt. “In mijn schrijven heb ik die rechters ook, maar dat is gewoon een scenario wat ik heb meegenomen in mijn aangifte”, zegt Amafo. Hij wil dat die mogelijkheden worden onderzocht.
Van Fraude naar de PG
Volgens zijn relaas heeft Amafo zich op 22 juli 2026 gemeld bij de afdeling Fraude van de politie. Daar zou hij zijn zaak hebben besproken en zou hem zijn geadviseerd zich met zijn verzoek tot de procureur-generaal te wenden. Een dag later, op 23 juli, stuurde hij naar eigen zeggen een schrijven naar de PG met het verzoek om onderzoek te doen naar de vermeende valsheid in geschrifte. Toen een reactie uitbleef, stuurde Amafo op 12 augustus opnieuw een brief om naar de stand van zaken te vragen.
Op 19 augustus kreeg hij naar eigen zeggen een ontvangstbevestiging van het kantoor van de PG. Meer duidelijkheid kreeg hij daarmee naar eigen zeggen niet. Volgens Amafo stond in de ontvangstbevestiging slechts dat zijn schrijven was ontvangen en dat de inhoud hem op een later te bepalen moment zou worden toegelicht. Een concrete datum voor de start van een onderzoek werd volgens hem niet genoemd. Daarmee blijft voor hem de belangrijkste vraag onbeantwoord: wordt er daadwerkelijk een strafrechtelijk onderzoek ingesteld en, zo ja, wanneer?
“Ik wacht nu 43 dagen”
“Ik ben wachtend. 43 dagen nog steeds wachtend op de procureur-generaal om het onderzoek in te zetten”, zegt Amafo. Zijn frustratie wordt volgens hem groter omdat het volgens hem niet om een ingewikkeld onderzoek hoeft te gaan. De eerste stap zou volgens hem kunnen zijn dat de politie de betreffende documenten onderzoekt en vaststelt hoe deze tot stand zijn gekomen en welke rol zij in de gerechtelijke procedure hebben gespeeld. Tegelijkertijd erkent hij dat hij niet kan bepalen of het Openbaar Ministerie uiteindelijk tot vervolging overgaat. Daar zit volgens hem juist een van de problemen: zolang er geen besluit is genomen, weet hij niet waar hij aan toe is. “Als er niets aan de hand is, dan bedoel ik: dan kan je me ook op de hoogte stellen, toch?” zegt hij.
Hoger beroep loopt door
Ondanks de nieuwe strafrechtelijke kwestie loopt de oorspronkelijke civiele procedure volgens Amafo gewoon door. Hij zegt dat de behandeling van het hoger beroep op 17 juli 2026 heeft plaatsgevonden. Juist tijdens die behandeling zou hij opnieuw met het document zijn geconfronteerd, waardoor hij naar eigen zeggen pas toen volledig ontdekte wat volgens hem niet klopte. De beschikbare berichtgeving bevestigt dat de arbeidszaak inmiddels bij het Hof van Justitie ligt. De kantonrechter veroordeelde Haukes Labour op 14 oktober 2025 tot betaling van US$ 65.810,68, waarna het Hof de tenuitvoerlegging van het vonnis op 17 december 2025 schorste totdat in hoger beroep uitspraak wordt gedaan. Volgens het Hof bestond de mogelijkheid dat een onmiddellijke uitvoering van het vonnis zou leiden tot vergelijkbare vorderingen van andere uitzendkrachten. Die gang van zaken heeft het wantrouwen van Amafo tegenover de juridische afhandeling van zijn zaak verder versterkt.
Vervolging
Een ander punt waar Amafo mee worstelt, is dat hij naar eigen zeggen niet weet binnen welke termijn de PG een beslissing moet nemen over zijn verzoek. Hij vraagt zich af hoe lang hij moet wachten voordat hij kan concluderen dat er geen onderzoek of vervolging komt. “Er zijn geen termijnen. En dus allemaal zo’n fase, je weet niet waar je aan toe bent”, zegt hij. Daarom zegt hij ook andere juridische mogelijkheden te onderzoeken. Een daarvan betreft volgens hem de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de president van het Hof van Justitie. Ook wijst hij op mogelijkheden binnen het civiele procesrecht om, wanneer sprake zou blijken van valsheid in geschrifte, opnieuw naar een eerdere beslissing te kijken. Maar daarvoor wil hij eerst duidelijkheid over het strafrechtelijke traject.
Bredere discussie
De zaak van Amafo heeft inmiddels een bredere dimensie gekregen. Hij stelt dat de kwestie rond zijn eigen arbeidsrelatie laat zien dat de positie van uitzendkrachten in Suriname nader onderzocht moet worden. Ook vakcentrale C-47 heeft zich eerder bij de discussie aangesloten. C-47-voorzitter Robby Berenstein stelde dat de vakcentrale signalen ontvangt over problemen binnen de uitzendsector en dat de belangen van uitzendkrachten onvoldoende worden behartigd. De vakcentrale wil hierover met betrokken partijen verder overleg voeren. Amafo zelf zegt dat hij juist daarom naar buiten is getreden met zijn verhaal. Volgens hem gaat het niet alleen om de vraag hoeveel geld één werknemer heeft misgelopen, maar om de vraag of de bestaande regels voor uitzendkrachten daadwerkelijk worden nageleefd.
Wachten op antwoord
Voorlopig blijft voor Amafo echter één vraag centraal staan: wat gebeurt er met zijn schrijven van 23 juli aan de procureur-generaal? Hij heeft inmiddels een ontvangstbevestiging ontvangen, maar nog geen inhoudelijke duidelijkheid over de vraag of een onderzoek is gestart. Zolang dat antwoord uitblijft, zegt Amafo te blijven aandringen op onderzoek naar de documenten, de rol van de betrokken personen en de manier waarop de stukken in de gerechtelijke procedure zijn gebruikt. Daarbij benadrukt hij dat hij geen definitieve uitspraak doet over schuld. Hij wil dat de bevoegde instanties onderzoeken of zijn vermoedens worden bevestigd.