Cursisten Bachelor Politiekunde KPS roeren zich ook
De groep cursisten van de Bachelor Politiekunde Inspecteursopleiding 2022–2024 van het Korps Politie Suriname (KPS) spreekt via de media uitspreken over hun rechtspositie.
Met grote teleurstelling en verontwaardiging nemen wij kennis van de recente handelswijze van de korpsleiding van het Korps Politie Suriname (KPS) met betrekking tot de bevordering van een groep onderofficieren. Deze groep, die op 19 mei 2025 bevorderd zou worden, werd op het laatste moment van de bevorderingslijst geschrapt. De reeds opgemaakte beschikkingen werden opgeschort.
Dit gebeurde ondanks het feit dat de minister van Justitie en Politie een officiële beschikking had getekend waarin de bevordering van deze brigadiers tot de rang van majoor werd bekrachtigd. De korpsleiding koos er echter voor deze beschikking te negeren. Tot grote verbazing stuurde zij zelfs een brief aan de minister met het verzoek om de ondertekende beschikking nietig te verklaren, omdat het korps “geen behoefte heeft” aan de bevordering van deze groep.
Interne tegenwerking en ondeugdelijke argumentatie
De controverse rondom deze bevordering begon al vóór 19 mei. Tijdens een vergadering gaven korpschef B. Isaacs en HR-manager M. Palmtak aan dat de onderofficieren niet meegenomen zouden worden in de bevordering, met als reden dat het zogenaamde formatiehuis van het KPS dit niet toeliet.
Deze redenering is echter weerlegd. Er bestaat immers geen vastgesteld formatiehuis voor onderofficieren en manschappen binnen het KPS. Het enige document waarnaar verwezen wordt, is een concept uit 2021 zonder financieel kader of officiële implementatiedatum. Dit concept heeft geen wettelijke grondslag en kan derhalve niet worden gebruikt voor personeelsbesluiten zoals bevorderingen.
De betreffende groep onderofficieren volgt momenteel de kaderopleiding en voldoet aan alle voorwaarden voor bevordering. Zij zijn allemaal positief beoordeeld, vaak onder tijdsdruk vlak voor de geplande bevorderingsdatum. Het besluit om hun bevordering alsnog tegen te houden, ondanks een formeel besluit van de minister, is voor deze groep onbegrijpelijk en buitengewoon demotiverend.
Tot overmaat van ramp voelen de onderofficieren zich ook in de steek gelaten door de voorzitter van de politiebond. In plaats van hun belangen te behartigen, koos de bond partij voor de korpsleiding. De bond heeft zich afzijdig gehouden of zelfs meegewerkt aan het blokkeren van de bevorderingen.
De bondsvoorzitter was op de hoogte van de situatie en aanwezig bij gesprekken met de korpsleiding. Op zijn instructie zocht de groep zelfs contact met de president. Tijdens een ‘Meet and Greet’ met de veiligheidsdiensten werd het probleem besproken, waarna de president zijn veiligheidsadviseur, de heer H. Tjin Liep Shie, opdracht gaf om binnen vijf dagen onderzoek te doen.
Naar aanleiding van dit gesprek volgde een vervolgbijeenkomst met alle betrokken partijen, inclusief de minister, zijn staf, de korpsleiding en de politiebond. De minister verzekerde toen dat de onderofficieren na afronding van de opleiding alsnog zouden worden bevorderd. Omdat de korpsleiding bleef vasthouden aan haar standpunt, stelde de bond voor deze toezegging vast te leggen in een overeenkomst tussen de bond, het ministerie en de vertegenwoordigers van de onderofficieren.
Uiteindelijk besloot de minister, na het herzien van zijn standpunt en erkenning van de grieven van de groep, om de bevorderingen alsnog toe te kennen.
Desondanks verklaarde de HR-manager dat deze brigadiers – ondanks hun lopende kaderopleiding – nog minstens vijf jaar in hun huidige rang zouden moeten blijven. Zelfs daarna is het onzeker of er dan “behoefte” aan hun bevordering zal zijn. Deze uitspraak staat haaks op het loopbaanbeleid en ondermijnt het principe van eerlijke doorgroeimogelijkheden binnen een professioneel korps.
Deze gang van zaken ondermijnt democratisch genomen besluiten en tast de geloofwaardigheid van het bevorderingsbeleid binnen het KPS ernstig aan. Het is onacceptabel dat beslissingen gebaseerd worden op een niet-bekrachtigd conceptdocument in plaats van op wettelijke voorschriften, zoals vastgelegd in het Reglement Algemene Politie.
Wat nu overblijft is een sfeer van willekeur, persoonlijke interpretatie en machtsmisbruik door een korpsleiding die zelfs het gezag van de minister durft te ondermijnen.
Niet lang geleden kondigde de korpsleiding met ferme woorden aan dat de verruwende criminaliteit hard zou worden aangepakt. Maar wie gaat die strijd leveren? Hoe effectief kan een korps zijn als medewerkers worden ontmoedigd, ondergewaardeerd en tegengewerkt?
Een gedemotiveerde politiemacht is geen wapen tegen criminaliteit, maar een direct gevolg van falend leiderschap.
Gelet op het bovenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de korpschef bewust en herhaaldelijk handelt in strijd met wettelijke voorschriften, waaronder artikelen 7, 10, 22, 24, 29 en 32 van het Politiehandvest en artikelen 1, 4 lid 2 en 5 lid 2 van de Instructie Korpschef.
Deze situatie vormt een ernstige aantasting van de rechtsstatelijke orde, het gezag van de minister en het vertrouwen van het personeel in de leiding van het korps. Zolang het korps intern verdeeld is en haar eigen medewerkers belemmert in hun rechtmatige ontwikkeling, kan het geen geloofwaardige strijd voeren tegen criminaliteit.
Wij doen daarom een dringend beroep op de bevoegde autoriteiten om corrigerend op te treden en deze onrechtvaardige, wetteloosheid voedende situatie per direct recht te zetten.
De geloofwaardigheid, rechtvaardigheid en integriteit van het Korps Politie Suriname staan op het spel.