Rodastraat treurt: Tant’ Corrie een gemis dat voelbaar is
De Rodastraat is stil. Het hart van de buurt is gestopt met kloppen. Maar in elke herinnering, in elke lach die ze achterliet, leeft Johanna Arnhem voort.
Ze droomde ooit van een baan bij de bank. Stewardess worden stond niet op haar verlanglijst. Toch zou een toevallige ontmoeting in een vliegtuig haar leven een compleet andere richting geven. Eunice Tjon Akon (59) begon in 1987 bij de SLM, werkte eerst op de vrachtafdeling en stapte in 1991 over naar de cabine. Op 17 oktober 2026 maakte ze haar laatste vlucht. Na 38 jaar bij de SLM, waarvan 35 jaar als cabin attendant, neemt ze afscheid van een beroep dat volgens haar allang geen werk meer was, maar een manier van leven.
„Mijn meisjesdroom was bij de bank werken.” Na de middelbare school solliciteerde Eunice bij verschillende bedrijven. Ook bij de SLM liet ze haar gegevens achter. Maar een reactie bleef uit. Tot ze in 1987 tijdens een vakantie met haar moeder in een vliegtuig plotseling de toenmalige SLM-directeur Mungra zag zitten. Ze trok de stoute schoenen aan. „Ik zag de directeur op de laatste rij van het vliegtuig zitten. Ik ben naar hem toegestapt en heb gezegd dat ik bij de SLM had gesolliciteerd. Hij zei: ‘Meld je maandag maar aan bij Personeelszaken.’” Zo begon het. Eunice werd aanvankelijk aangenomen voor twee weken. Die twee weken werden een contract. Het contract werd vervolgens steeds verlengd.
Maar ik ben wel eerlijk als ik zeg dat ik de SLM en die baan wel vaker op de eerste plek heb gezetEunice Tjon Akon
Maar Eunice wilde meer zekerheid. Dus trok ze opnieuw de stoute schoenen aan en stapte naar Wilfred Sigfried Gils, die destijds een leidinggevende functie binnen de SLM had. „Ik zei: ‘Meneer Gils, ik werk nu al een hele tijd op contract. Jullie kunnen toch ook iets voor mij betekenen?’” Hij vroeg haar hoeveel ze wilde. Eunice antwoordde met de humor die haar nog altijd kenmerkt. „Ik zei: ‘Brutaal? Ja. We hebben de halve wereld.’” Gils vond haar kennelijk brutaal, maar wel op een beleefde manier. Eunice kreeg haar vaste aanstelling en begon op 1 mei 1988 op de vrachtafdeling. Daar voelde ze zich prima thuis. „Ik heb daar ontzettend leuk gewerkt. Ik had geweldige collega’s. Daar heb ik ervaren wat luchtvaart precies inhoudt. Het is dynamisch, superinteressant en ontzettend veelzijdig.” Op dat moment had ze geen enkele behoefte om stewardess te worden.
Tot de SLM na de vliegramp extra cabinepersoneel nodig had. Er kwam een interne vacature voor cabin attendants. Eunice zag de oproep, maar schonk er nauwelijks aandacht aan. „Het was voor heel veel meisjes een meisjesdroom. Maar het was niet die van mij. Ik dacht: ik zit hier goed op de vrachtafdeling.” Haar toenmalige baas zag echter iets in haar wat zij zelf nog niet zag.
„Hij zei: ‘Er is een sollicitatie voor cabin attendants. Wil je niet solliciteren?’ Ik zei: ‘Nee boy, ik wil lekker hier blijven.’ Maar hij bleef zeggen: ‘Probeer het. Je weet maar nooit.’” Uiteindelijk solliciteerde ze om hem een plezier te doen.
En werd aangenomen. „Ik ben binnengerold bij cabine. En het klikte in één keer.” Daar, tussen vliegtuigen, passagiers en collega’s, ontdekte Eunice wat ze werkelijk wilde. „Ik dacht: hé, dit is mijn werk. Dit is wat ik moet doen. Dit is wat ik moest worden.” Geen werk, maar een hobby. De buitenwereld ziet vaak vooral het nette uniform, de glimlach en de stewardess die vraagt of iemand kip of vis wil. Maar achter die glimlach zit een beroep waarvoor voortdurend gestudeerd en getraind moet worden. „Het is keihard studeren. Er is een boek dat je van kaft tot kaft moet kennen. Flight Safety. Elk jaar doe je daar examen in. Daarnaast heb je self-defense, EHBO, CRM en allerlei andere trainingen.”
De norm was streng. „Je mag niet minder dan 80 procent halen. Anders ben je eruit.” Een cabin attendant moet immers kunnen handelen wanneer een passagier ziek wordt, wanneer er een technisch probleem ontstaat, bij turbulentie, een noodlanding of wanneer een situatie aan boord volledig uit de hand dreigt te lopen. Eunice maakte het allemaal mee. „Op een gegeven moment was het geen werk meer voor mij. Het was een hobby.”
Van Paramaribo naar de wereld. Op 17 juli 1991 maakte Eunice haar eerste vlucht als cabin attendant. Paramaribo-Amsterdam. Daarna volgden talloze bestemmingen. Amsterdam, Miami, Belém, Curaçao, Aruba, Trinidad, Barbados, Grenada, El Salvador, Chili en Argentinië. Ook vloog ze chartervluchten met voetbalteams, presidenten en regeringsfunctionarissen. „Je gaat soms naar plaatsen waar je maatschappij normaal niet naartoe vliegt. Dat maakt het werk zo interessant.”
Ze vloog zelfs binnenlandse routes. „Ik heb met de Twin Otter gevlogen naar het binnenland. Het is een enorme ervaring.” Hoeveel vluchten ze precies heeft gemaakt, weet Eunice niet uit haar hoofd. „Ik heb het bijgehouden in een schrift. Ik moet gaan tellen.” Maar één ding weet ze zeker: het waren er heel veel. „Meer dan honderd? Dat kan je in een jaar maken, schatje.” Ze lacht. „Dus ja, het waren er duizenden.” „We waren familie” De collega’s waren minstens zo belangrijk als de bestemmingen. „Ik ga mijn collega’s missen. Ik noem ze eigenlijk geen collega’s. Ik noem ze familie.” Dat is niet overdreven, legt ze uit. „Je zit urenlang met elkaar opgesloten in een vliegtuig. Als iemand ziek wordt, vervelend nieuws vanuit het thuisfront krijgt of er onderweg iets gebeurt, moet je er voor elkaar zijn.” Bemanningsleden verblijven soms dagen samen in het buitenland. In die omstandigheden ontstaat een band die verder gaat dan werk. „Je bent direct familie.” Die familie zag ook de moeilijke kanten van het beroep.
Een normale werkweek kende Eunice nauwelijks. „We kennen geen feestdagen. We kennen geen zondagen.” Ze stond op de meest onmogelijke uren op, reisde naar de luchthaven, vloog urenlang en kon soms nauwelijks thuis zijn voordat de volgende vlucht alweer op het programma stond. „Er was een periode dat we weinig collega’s hadden. Dan kwam je ‘s morgens uit Belém en ging je ‘s avonds weer naar Amsterdam. Gewoon gedaan. Met liefde, lachend, vrolijk, tas ingepakt en weg.” Dat betekende ook dat haar gezin zich moest aanpassen. Ze werd moeder terwijl ze vooraf juist dacht dat een kind nauwelijks te combineren zou zijn met haar beroep. „Ik had zoiets van: met deze baan kun je geen kind krijgen, want je bent altijd weg. Maar goed, ik heb het toch gedaan.” Haar ouders hielpen bij de opvang van haar dochter. Later werd haar dochter oud genoeg om zelfstandig thuis te blijven. „Mijn moeder en vader hebben met liefde voor haar gezorgd.” Haar huwelijk hield uiteindelijk geen stand. Toch kijkt Eunice zonder bitterheid terug. „Misschien als ik op kantoor zat, had het huwelijk ook geen stand gehouden. Dus ik durf niet alles op mijn werk te schuiven. Maar ik ben wel eerlijk als ik zeg dat ik de SLM en die baan wel vaker op de eerste plek heb gezet.” Vandaag zijn zij en haar ex-man volgens Eunice nog steeds goede vrienden. „Ik ben iemand van communiceren. Ik laat mensen niet in de lucht hangen. Ik praat. Ik communiceer.”
Eunice maakte haar entree in de cabine na de vliegramp die diepe sporen naliet binnen de SLM. Zelf werkte ze toen nog op de vrachtafdeling. „Ik kreeg ‘s nachts een telefoontje van een collega. ‘Heb je gehoord wat er is gebeurd?’ Ik zei: ‘Nee, wat is er?’ Toen hoorde ik: ‘De 462 is gecrasht.’” De volgende ochtend zocht ze haar collega’s op. „Iedereen huilde. Het was verdrietig. Maar je moet niet vergeten: ook al werkte ik op de vracht en zij bij cabine, we waren familie.” Toch weerhield de ramp haar er niet van om later zelf te gaan vliegen. „Als je een vrees hebt, moet je dit werk niet doen. Je kunt niet naar je werk gaan en bang zijn.”
Zelf was ze niet bang. „Ik ben gelovig. Ik heb altijd gedacht: als er iets moet gebeuren, dan gaat het gebeuren. Ik kan doen wat ik wil, maar als het mijn tijd is, dan is het mijn tijd.” In haar 35 jaar aan boord maakte Eunice ook situaties mee waarin die nuchterheid hard nodig was. Zo was er een keer een bommelding. „Het toestel kwam met piepende remmen aan het einde van de baan tot stilstand. De captain had een bericht gekregen dat er waarschijnlijk een bom aan boord was.”
Sommige collega’s raakten in paniek. Eunice niet. Ook tijdens hevige turbulentie wist ze passagiers gerust te stellen. „Iedereen die stond, moest op de grond gaan zitten. Ik pakte iedereen zijn hand die ik kon vastpakken. Een vrouw vroeg: ‘Bent u niet bang?’ Ik zei: ‘Nee, ik ben niet bang.’” De vrouw wees haar erop dat er iets kon gebeuren. „Ik zei: ‘Dan gaan we niet alleen. Dan zijn we met zoveel tegelijk bij die man daarboven.’” De vrouw werd rustig. „Dat is gewoon wie ik ben.”
Volgens Eunice bestaat er een groot verschil tussen het beeld van een stewardess en de werkelijkheid. „Ik heb toiletten schoongemaakt. Ik heb mensen geholpen die diarree hadden of ziek waren geworden. I don’t care. Ik draag handschoenen, ik was mijn handen.” Ze vindt het dan ook niet erg wanneer mensen het beroep onderschatten. „Werk is werk. Je mag me zien als wat je wilt. Jouw waarheid is niet mijn waarheid.” En ja, ook over uiterlijk bestaan binnen de luchtvaart regels. BMI, kapsels, tatoeages, piercings en kledingvoorschriften kunnen onderdeel zijn van de eisen. Maar Eunice vindt dat uiteindelijk vooral vakmanschap telt. „Waarom zou je iemand weglaten omdat ze wat voller is, als ze haar werk perfect kent, lief is en goed met mensen kan omgaan?” Voor haar is de glimlach belangrijker dan een maat.
In 35 jaar heeft Eunice veel meegemaakt: medische noodsituaties, technische problemen, vechtpartijen tussen passagiers, mensen die tijdens een vlucht overleden en momenten waarop er serieus gevaar dreigde. Maar wanneer ze wordt gevraagd naar het mooiste moment, komt ze niet met één spectaculaire gebeurtenis. Het antwoord is eenvoudiger. „Elke keer weer in dat toestel stappen, vertrekken, veilig aankomen op een buitenlandse bestemming en weer veilig thuis.” Dat is voor haar de kern van het vak. „Ik heb 35 jaar lang veilig aangekomen in het buitenland. En ook weer veilig thuis.”
Op 17 oktober 2026 stapte Eunice voor de laatste keer uit een SLM-toestel. Haar eerste vlucht was op 17 juli 1991. Haar laatste vlucht: 17 oktober 2026. Daartussen zitten 35 jaar cabinewerk. Op 1 december gaat ze officieel met pensioen. Ze had nog 44 verlofdagen staan. Die dagen wil ze nu gebruiken om iets te doen wat in haar werkzame leven vaak onmogelijk was: niets moeten. „Voorlopig ga ik genieten van een leven zonder verplichtingen. Geen trainingen, geen wekkers en niet elke dag wakker worden met de gedachte: vandaag moet ik dit doen en morgen moet ik dat doen.”
De was kan wachten. „Als ik die kleren vandaag niet wil wassen, dan was ik ze morgen.” Het klinkt als een grap, maar voor Eunice betekent het vrijheid. Jarenlang moest ze immers rekenen met slaaptijden, briefings, vluchten en roosters. Nu hoeft dat niet meer. „Ik ga alles missen” Toch is afscheid nemen moeilijk. Niet van het uniform. Niet van de wekker. Niet van de onmogelijke werktijden. Maar van de mensen. „Ik ga mijn collega’s missen. Ik ga alles missen.” Haar dochter had haar al gewaarschuwd. „Mama, nu moeten we leren leven met elkaar 24/7.” Eunice lacht. Want na 35 jaar waarin haar leven voortdurend in beweging was, zal juist stilzitten waarschijnlijk het grootste avontuur worden. Haar dochter moedigde haar bovendien aan om haar verhalen te vertellen. „Mama, u heeft zoveel. U kunt het zo fijn vertellen ook.” En ze heeft gelijk.
Want achter de cijfers van 38 dienstjaren en 35 jaar als cabin attendant zit een leven dat zich niet laat samenvatten in een dienstrooster. Het is het verhaal van een meisje dat ooit bij een bank wilde werken. Van een jonge vrouw die tijdens een vakantie een directeur aansprak. Van een contract voor twee weken dat uitgroeide tot 38 jaar. Van een onverwachte overstap naar de cabine. Van duizenden uren boven de wolken. Van collega’s die familie werden. Van een moeder die haar gezin moest combineren met een beroep dat geen rekening hield met zondagen of feestdagen. En van een vrouw die op haar laatste vlucht opnieuw hetzelfde deed als altijd: vertrekken en veilig thuiskomen. Als ze haar 35 jaar in één woord moet beschrijven, hoeft Eunice niet lang na te denken. „Dynamisch.” Misschien is dat inderdaad het beste woord. Want Eunice Tjon Akon begon haar carrière ooit op de grond. Maar haar verhaal werd geschreven in de lucht.