Met 155 lezingen en circa 4.200 bezoekers groeit de belangstelling voor het herinneringserfgoed van Suriname. De derde druk van deel 1 van Oog in oog met Paramaribo is inmiddels bijna uitverkocht. Voor historicus Eric Kastelein is dat een bevestiging van het belang van zijn werk: de verhalen achter monumenten en gedenktekens bewaren, zodat ze niet uit het collectieve geheugen verdwijnen.
Een monument kan jarenlang op een plein, langs een straat of bij een historisch gebouw staan, zonder dat voorbijgangers nog weten wie of wat ermee wordt herdacht. De stenen, beelden en plaquettes zijn zichtbaar aanwezig, maar de verhalen erachter raken langzaam in vergetelheid. Juist die kloof tussen het tastbare verleden en de kennis over dat verleden vormde voor historicus Eric Kastelein de aanleiding om het herinneringserfgoed van Suriname vast te leggen.
Zijn boek Oog in oog met Paramaribo. Verhalen over het herinneringserfgoed verscheen in 2020 en beleefde in 2025 een derde druk. De belangstelling voor de publicatie bleef niet beperkt tot lezers. Kastelein werd steeds vaker gevraagd om lezingen te verzorgen over de historische personen, gebeurtenissen en monumenten die hij beschrijft. Inmiddels heeft hij 155 lezingen gegeven, die samen ongeveer 4.200 bezoekers trokken. Dat deel 1 van het boek in de derde druk bijna is uitverkocht, onderstreept de aanhoudende belangstelling voor dit onderwerp.
Een voorbeeld dat Kastelein aanhaalt, is het monument voor Johannes Helstone (1853-1927), dat voor de Hervormde Kerk aan het Kerkplein staat. Het door de Surinaamse kunstenaar Charles Nieleveld vervaardigde monument houdt de herinnering levend aan de componist die internationale bekendheid genoot. Toch merkte Kastelein dat kerkgangers en voorbijgangers die hij naar de betekenis van het monument vroeg, vaak geen antwoord konden geven.
Het voorval laat zien waarom monumenten alleen niet voldoende zijn om geschiedenis levend te houden. Zonder kennis en verhalen verliezen gedenktekens een deel van hun betekenis. Kastelein wil die verbinding herstellen door de geschiedenis achter de monumenten opnieuw onder de aandacht te brengen.
Dat zijn lezingen meer teweegbrengen dan alleen het overdragen van historische feiten, bleek tijdens een bijeenkomst in Suriname. Na afloop hoorde hij een van de dochters van een Hindostaanse vrouw aan haar moeder vragen waarom zij deze geschiedenis niet eerder had gekend en verteld. Het kind benadrukte hoe belangrijk het is de eigen geschiedenis te kennen voor een goede toekomst. Voor Kastelein was het een treffend moment: historische kennis kan niet alleen informeren, maar ook gesprekken binnen gezinnen op gang brengen en mensen aanzetten om opnieuw naar hun omgeving te kijken.
Van Paramaribo naar de districten
De belangstelling voor zijn lezingen en publicatie bracht ook een volgende vraag met zich mee. Wanneer zou het herinneringserfgoed buiten Paramaribo aan bod komen? Tijdens lezingen en cursussen vroegen mensen herhaaldelijk aandacht voor de monumenten en historische plekken in de districten. Die vragen vormden een belangrijke aanleiding om het onderzoek uit te breiden.
Aanvankelijk schatte Kastelein dat de districten ongeveer dertig tot veertig monumenten zouden opleveren. Na enkele weken onderzoek bleek dat aantal aanzienlijk hoger te liggen: hij telde ruim honderd exemplaren. Samen met de gedenktekens in Paramaribo die in de eerste publicatie nog niet waren opgenomen, vormde dit de basis voor een meerjarenplan en een vervolg in twee delen.
Het onderzoek naar het herinneringserfgoed vraagt om meer dan bezoeken aan monumenten. In Paramaribo bracht Kastelein veel tijd door in het Nationaal Archief Suriname, waar hij honderden krantenedities doornam. Hij raadpleegde onder meer de Vrije Stem, de Ware Tijd, De West, Het Nieuws, Suriname, Dagblad Suriname en Times of Suriname. Ook maakte hij gebruik van de bibliotheek van de Anton de Kom Universiteit van Suriname en sprak hij met medewerkers van de Stichting Gebouwd Erfgoed Suriname en de Stichting Surinaams Museum.
Voor het onderzoek in de districten waren contacten met districtscommissarissen en medewerkers van de Burger Informatie Centra belangrijk. Zij konden hem wegwijs maken en lokale kennis beschikbaar stellen. In Nickerie ontmoette hij historicus Kenneth Donk, die hem meenam naar bijzondere plekken en daarover vertelde. Voor het onderzoek in Nederland bezocht Kastelein onder meer de Koninklijke Bibliotheek, het Nationaal Archief en de Universiteitsbibliotheek Leiden. Daar doorzocht hij oude jaargangen van De Nickeriaan, op zoek naar informatie over het herinneringserfgoed van Nickerie. Ook de digitale kranten- en boekendatabase Delpher speelde een belangrijke rol in zijn speurwerk.
Als monumenten verdwijnen
Naast het vastleggen van vergeten verhalen speelt ook de verdwijning van monumenten een rol in Kasteleins motivatie. Herinneringserfgoed blijkt niet altijd veilig. Een van de meest opvallende voorbeelden is de diefstal in 2011 van het beeld van Alonso de Ojeda, gemaakt door Erwin de Vries. Het beeld woog ongeveer tweeduizend kilo en stond bij Fort Nieuw Amsterdam. Ondanks een beloning van vijfduizend euro werd het niet teruggevonden. De lege sokkel herinnert nog aan het verdwenen beeld.
Ook de plaquette voor de dichter Srinivasi bij een nabijgelegen aanlegsteiger verdween. Tot de recentere ontvreemdingen behoren borstbeelden van onder anderen Johanna Schouten-Elsenhout, Trefossa (Henri de Ziel), Hendrik Silvester, Fred Ramdat Misier en Eddy Snijders, wiens borstbeeld begin 2026 verdween.
Kastelein geeft aan dat hij de meeste beelden tijdig heeft kunnen vastleggen. Daardoor blijven de afbeeldingen en de verhalen erachter beschikbaar, ook wanneer het oorspronkelijke monument niet meer aanwezig is. Fotografie en documentatie krijgen zo een aanvullende betekenis: ze bewaren een deel van het erfgoed dat anders volledig uit het straatbeeld zou verdwijnen.
Geschiedenis als fundament voor de toekomst
De belangstelling voor het werk van Kastelein blijkt niet alleen uit de verkoop van zijn boek en het aantal bezoekers bij zijn lezingen. Ook zijn cursussen aan tien Nederlandse volksuniversiteiten trekken voldoende deelnemers om iedere cursusperiode door te gaan. In drie lessen van anderhalf uur behandelt hij uiteenlopende onderwerpen uit de Surinaamse geschiedenis, van de koloniale periode en het slavernijverleden tot de uitbuiting van Chinese, Brits-Indische en Javaanse contractarbeiders. Daarnaast komen onder meer de Tweede Wereldoorlog, Fort Zeelandia en invloedrijke historische figuren zoals Anton de Kom en professor Paul Flu aan bod.
De rode draad in zijn werk is de overtuiging dat geschiedenis niet alleen in archieven of boeken thuishoort. Ze is ook terug te vinden in het straatbeeld, op pleinen, bij kerken en op voormalige plantages. Maar om die plaatsen werkelijk te begrijpen, moeten de verhalen erachter worden verteld en doorgegeven.
Met 155 lezingen en ongeveer 4.200 bezoekers heeft Kastelein een breed publiek met het herinneringserfgoed in aanraking gebracht.