Shevanique zet het ontbijt van Jairzinho om 07.00 klaar; “ik vind het belangrijk om hem bij te staan”
“Ik vind het belangrijk om m’n ‘man’ bij te staan, daarbij maakt het voor mij niet uit hoe populair hij is.
Gowtu bai! Gowtu bai! Wie dit nooit heeft gehoord, heeft zeker niet langs het hoofdkantoor van de Volkskredietbank in de binnenstad gelopen. Met deze pakkende woorden proberen goudopkopers, die zich ergens rond 1975 voor de bank hebben gevestigd, klanten te winnen. De goud hosselaars proberen dagelijks voorbijgangers te overtuigen hun sieraden te verkopen of om hun pandbewijzen op te kopen.
Hoewel ze bij bosjes bijeen staan, lukt het ze aardig klanten te veroveren. Dat het klaarblijkelijk niet hindert, blijkt uit de woorden van Delano Engel, die zich in 1992 bij de groep aansloot. “Concurrentie is nodig. We zijn allemaal kleine ondernemers die een broodje komen zoeken,” verwoordt hij de collegialiteit. Engel zegt dat hij er eerder voor kiest om voor zichzelf te werken dan voor een baas. “Je betaalt jezelf uit, want je verdient je eigen geld. Je bent je eigen baas en je staat op hoe laat je wil.” Delano noemt zich geen hosselaar, naar een zelfstandige ondernemer. “Ik kan er van leven. ik ben goed hierin daarom doe ik het. Wat het pandhuis binnen doet, doen wij buiten,” vertelt hij.
Het begon naar alle waarschijnlijkheid met een man van Marron komaf met de bijnaam ‘Modo’ die intussen is overleden. Het is de hosselaars door de jaren heen gelukt om goud op te kopen. Want de goudopkopers staan er nog steeds, de groep is integendeel aangezweld.
Een van de mannen die er langer bijstaat is de vader van Jairzinho ‘bigi boi’ Rozenstruik. John Rozenstruik vertelt aan de redactie van De Snelle Pen dat hij al veertig jaren hosselt in de binnenstad. Hij begon bij lijn negen eindhalte, daar heeft zijn nu overleden moeder, jaren fruit en meer verkocht. Het hosselen is hem met de paplepel meegegeven, want ook zijn grootmoeder wist niet wat stilzitten was. Rozenstruik vertelt dat sommige goudopkopers zijn overleden weer anderen zijn naar Nederland vertrokken. Hij noemt de namen van oud-hosselaars zoals Oge, Wong en Kouse.
Ik heb in veertig jaar een vaste klantenkring opgebouwd.John Rozenstruik
“Deze hossel brengt elke dag geld binnen. Ik kan niet bedelen. Ik was voorheen geldwisselaar, maar goud opkoop biedt meer.” Hij heeft up en downs gekend in zijn hossel. Rozenstruik zegt dat de goud opkoop nu slap is, omdat de huidige economische situatie het niet toelaat. “Het gaat niet zo als vroeger.” Over het negatief etiket die de hosselaars krijgen opgespeld, geeft hij toe dat er door de tijden heen kwajongens zich hadden, gevestigd tussen de eerlijke opkopers. Hij zegt dat ze er niet meer staan en sommigen hebben hun leven gebeterd. Rozenstruik ervaart geen concurrentie, omdat hij in veertig jaar een vaste klantenkring heeft opgebouwd die goud en pandbewijzen voor hem verkopen.
Fernando werd twintig jaar geleden geïnteresseerd door een vriend, omdat hij niet over een baan beschikte. Ook hij merkt op dat de goud opkoop hossel aan het verslappen is, in tegenstelling tot vroeger. Op de vraag aan Delano waarom hij niet naar een andere baan uitkijkt zegt hij: “I no pur’ wan patta go wer’ wan slipper. Ik kan nu geen werk vinden. Van hier uit mi fen’ alasani san wan s’ma ab fanawdu fu libi.” Over de negativiteit rondom de hosselaars zegt hij: “Wan man san e du ogri no man k’napu dya. Na her’ dey skowtu e rij psa dya.” Hoewel het bekend is dat je van een hossel geen pensioen kan genieten zegt Delano: “Mi pensioen no dja a de na Rutte. Hij vertelt dat hij zich in Nederland gaat vestigen. Laurens heeft hoopt dat het nog komt en hosselt al twaalf jaar. Ook hij merkt dat de goud opkoop aan het teruglopen is. “Ik moet komen, want ik heb iets hier te verdienen. Wan bun de maar a bun kon slow. Zodra ik geen ander hossel vind ga ik niet weg. Ef’ i patu no man go na faya i no kon dya,” volhardt hij in zijn hossel.