OM stuurt aangifte Amafo tegen advocaat Sohansingh naar fraudeafdeling
Na 47 dagen wachten heeft Donovan Amafo duidelijkheid gekregen over de behandeling van zijn aangifte tegen advocaat Rani Sohansingh.
Op 3 augustus 2026 deed ik, directeur van een onderwijsinstelling in Paramaribo, aangifte van verduistering bij de afdeling Fraude en Economische Delicten. Meer dan tweeënhalve maand later is er nog altijd geen voortgang en heb ik geen enkele terugkoppeling ontvangen. Ook een schriftelijk rappel aan de Procureur-Generaal van 19 oktober jongstleden, verzonden door mijn raadsman, bleef onbeantwoord.
Hetzelfde Openbaar Ministerie trad in diezelfde periode wél kordaat tegen mij op, op basis van een aangifte die op 20 juli 2026 werd gedaan. Binnen enkele weken volgden mijn aanhouding en inverzekeringstelling. De ene aangifte, gericht tegen mij, leidde tot vrijheidsbeneming. De andere, door mijzelf gedaan bij dezelfde afdeling, lijkt ondertussen onbehandeld te blijven.
Dat het Openbaar Ministerie, wanneer het daartoe aanleiding ziet, razendsnel kan optreden, bleek onlangs opnieuw. Tijdens een rechtszitting verscheen een getuige met een hanger van een jaguartand — althans een tand die daarop leek — om zijn nek. De officier van justitie, mr. Sitaram, zag dit en gaf ter plekke opdracht de getuige aan te houden. Over de gegrondheid van die aanhouding doe ik geen uitspraak; dat is niet aan mij. Het voorval laat echter wel zien dat het Openbaar Ministerie, wanneer het dat opportuun acht, binnen enkele seconden kan schakelen van waarneming naar vrijheidsbeneming.
Diezelfde voortvarendheid is mij, inmiddels al meer dan tweeënhalve maand wachtende op een reactie op een aangifte tegen anderen, niet gegund. Daarmee wordt de vraag naar de toepassing van het opportuniteitsbeginsel des te prangender: mag het Openbaar Ministerie zijn discretionaire bevoegdheid naar eigen inzicht inzetten — vliegensvlug tegen de één en roerloos stil tegenover de ander — zonder daarover enige uitleg te geven?
Het opportuniteitsbeginsel geeft het Openbaar Ministerie beleidsruimte. Maar die ruimte veronderstelt naar mijn mening ook consistentie, transparantie en een rechtvaardig optreden. Beleidsvrijheid mag niet ontaarden in willekeur.
Daarmee dringt zich de vraag op die burgers zich vaker stellen, maar zelden rechtstreeks aan het Openbaar Ministerie durven voorleggen: is hier sprake van klassenjustitie? Wordt er met twee maten gemeten, afhankelijk van de positie of zichtbaarheid van de betrokkenen?
Ik beantwoord die vraag niet eigenmachtig. Het is echter aan het Openbaar Ministerie om iedere schijn van ongelijke behandeling overtuigend te weerleggen. Zwijgen doet dat niet. Integendeel: langdurige stilte kan juist het wantrouwen versterken.
Dat zwijgen weegt des te zwaarder nu de Procureur-Generaal onlangs, tijdens de installatie van vijftien rechters, met zoveel woorden sprak over de onpartijdigheid en objectiviteit van het Openbaar Ministerie. Mooie woorden alleen zijn echter niet voldoende om vertrouwen te winnen. Vertrouwen wordt opgebouwd of verspeeld in de praktijk: in de snelheid waarmee de ene burger wordt aangehouden vanwege een hanger en in de stilte waarmee een andere burger wacht op een reactie op een aangifte van verduistering.
Wie zich publiekelijk beroept op onpartijdigheid en objectiviteit, moet die beginselen ook in de praktijk kunnen laten zien wanneer burgers daarom vragen. In mijn geval is dat tot nu toe niet gebeurd.
Ik beschuldig geen individuele functionaris van kwade trouw. Vertraging kan verschillende oorzaken hebben en snel optreden kan gerechtvaardigd zijn. Maar een onverklaarde vertraging, een onbeantwoord rappel en een opvallend contrast met voortvarend optreden in andere zaken vormen samen voldoende reden voor vragen.
Ingezonden door: Johannes Damodar Patak